| Geloven is leven |
![]() |
| David (3) |
|
David en Batseba Een ernstige zonde van David, met eveneens ernstige gevolgen, staat beschreven in 2S. 11 en 12. David zag vanaf zijn paleisdak een mooie vrouw die zich aan het baden was. Hij liet uitzoeken wie het was, het was Batseba, de vrouw van Uria. Hij liet Batseba bij zich komen en sliep met haar. Ze ging terug naar huis maar bleek zwanger te zijn. Ze liet dit aan David weten. Haar man Uria vocht in de oorlog met het leger van Israël tegen de Ammonieten. David liet Uria door zijn legeraanvoerder Joab opstellen op een riskante plek in de frontlinie. 2S. 11: 14,15: De volgende morgen schreef David Joab een brief, die hij aan Uria meegaf. In de brief stond: ‘Stel Uria op waar het hevigst wordt gevochten en geef hem geen rugdekking, opdat hij wordt getroffen en sneuvelt.’ En dat gebeurde inderdaad. De vrouw van Uria kreeg bericht dat haar man was gesneuveld, en ze treurde om haar echtgenoot. Toen de rouwtijd voorbij was, nam David haar bij zich aan het hof. Zij werd zijn vrouw en baarde hem een zoon. Naar het oordeel van de Heer was het wel degelijk slecht wat David had gedaan (2S. 11: 26,27). De Heer stuurde de profeet Natan naar David toe, die hem namens de Heer de volgende straf meedeelde: Welnu, voortaan zullen moord en doodslag in je koningshuis om zich heen grijpen, omdat je Mij hebt getrotseerd en de vrouw van Uria tot vrouw hebt genomen. Dit zegt de Heer: 'Je eigen familie zal een bron van ellende voor je worden. Je zult moeten aanzien dat Ik je vrouwen aan een ander geef, aan iemand van je eigen familie. Die zal met je vrouwen slapen op klaarlichte dag. Jij hebt in het diepste geheim gehandeld, maar Ik zal dit laten gebeuren ten overstaan van heel Israël en in het volle daglicht’ (2 S. 12: 10-12). Toen David toegaf dat hij had gezondigd, bleek dit nog niet de gehele straf te zijn. 2S. 12: 13-15: David antwoordde Natan: ‘Ik heb gezondigd tegen de Heer.’ Toen zei Natan: ‘De Heer vergeeft u die zonde, u zult niet sterven. Maar omdat u de vijanden van de Heer aanleiding hebt gegeven tot laster, moet wel uw pasgeboren zoon sterven.’ Daarop ging Natan naar huis. De Heer trof het kind dat de vrouw van Uria David gebaard had, met een dodelijke ziekte. Het kind stierf inderdaad na zeven dagen. Van kwaad tot erger Het blijft vaak niet bij een eerste stap in de verkeerde richting. Dat kunnen we heel goed zien in dit treurige verhaal van Davids zonde. Het begon met overspel en leidde uiteindelijk tot een moord. Toen Batseba zwanger bleek had David een probleem. De kans dat dit uit zou komen was groot, want Uria was aan het front en kon de vader van het kind niet zijn. Hij moest iets doen: Uria moest verdwijnen. Daarna zou hij met Batseba kunnen trouwen en zou niemand weten dat het kind niet van hem was. En zo gebeurde het. Toch moet het David, die de Heer wilde dienen, niet lekker hebben gezeten: hij wist dat hij fout zat. De straf van God was echter zwaar. Was de misdaad van David in het geheim gepleegd, de straf zou in de openbaarheid ten uitvoer worden gebracht. Maar het was niet alleen een zonde op zich, de eer van God was in het geding: Maar omdat u de vijanden van de Heer aanleiding hebt gegeven tot laster, moet wel uw pasgeboren zoon sterven (2S. 12: 14). Waarom had God het koningschap van David niet weggenomen, zoals Hij dat ook bij Saul had gedaan? Zij gingen beiden in tegen de geboden van de Heer. Er is echter een groot verschil. Saul trok zich van God niets meer aan en ging zijn eigen gang. David geloofde rotsvast in de Heer en wilde alles voor Hem doen, maar liet zich gaan op een zondige weg. Zijn geloof heeft hem gered, zou je kunnen zeggen. Zo staat het ook in Hebreën 11: 32,33: De tijd ontbreekt me om te vertellen over Gideon en Barak, Simson en Jefta, David en Samuël, en over de profeten, die door hun geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid lieten gelden, en kregen wat hun beloofd was. De zonde van Amnon Amnon de oudste zoon van David werd verliefd op zijn jongere halfzuster Tamar, de zuster van Absalom. Amnon verkrachtte Tamar en als wraak sloeg Absalom zijn halfbroer Amnon bij gelegenheid dood. David werd woedend op Absalom. 2 S. 13: 38,39: Toen Absalom drie jaar in Gesur woonde, waar hij een veilig heenkomen gevonden had, vatte koning David het plan op om tegen Absalom ten strijde te trekken, want de rouw over de dood van Amnon was voorbij. Joab, de opperbevelhebber van het leger van David, wist David zo ver te krijgen dat hij geen wraak nam op zijn zoon Absalom, maar dat hij Absalom naar Jeruzalem liet terugkeren. David vlucht voor Absalom Maar de verhouding tussen David en Absalom kwam niet meer goed. Absalom vergaderde een groot deel van het volk achter zich en liet zich in Hebron tot koning uitroepen (2 S. 15: 10-12). Koning David vluchtte met zijn volgelingen uit Jeruzalem, maar liet tien bijvrouwen acher om voor het paleis te zorgen. Op de top van de Olijfberg richtte David zijn gebedsplaats in. Intussen kwam Absalom met zijn leger in Jeruzalem aan. 2 S. 16: 20-22: Daarna wendde Absalom zich tot Achitofel: ‘Geeft u ons raad. Hoe moet het nu verder?’ Achitofel sprak: ‘Ga naar de bijvrouwen die uw vader heeft achtergelaten om voor het huis te zorgen. Dan zal heel Israël vernemen dat u uw vader hebt vernederd en zullen al uw aanhangers moed vatten.’ Dus werd er voor Absalom een tent neergezet op het dak van het paleis, en voor de ogen van heel Israël nam Absalom bezit van de bijvrouwen van zijn vader. |
Hiermee ging in vervulling de straf die de Heer David had aangezegd:
Je zult moeten aanzien dat Ik je vrouwen aan een ander geef, aan iemand van je eigen familie. Die zal met je vrouwen slapen op klaarlichte dag. Jij hebt in het diepste geheim gehandeld, maar Ik zal dit laten gebeuren ten overstaan van heel Israël en in het volle daglicht’ (2 S. 12: 11-12).
Twee verschillende adviezen Absalom vroeg aan Achitofel, de raadgever van David, die naar Absalom was overgelopen, wat hij vervolgens moest doen. Achitofel sprak: Laat mij twaalfduizend mannen uitkiezen en achter David aan gaan, vannacht nog. Ik zal hem (David) overrompelen wanneer hij uitgeput is en de moed laat zinken, zodat al zijn soldaten op de vlucht slaan. Ik zal alleen de koning doden en het leger naar u terugsturen. De dood van de man die u naar het leven staat betekent immers dat het leger kan terugkeren. Allen zullen ongedeerd blijven (2 S. 17: 1-3). Maar Chusai (die op de hand van David was zonder dat Absalom het wist), adviseerde Absalom: roep alle mannen van Israël op, van Dan tot Berseba, talrijk als zandkorrels aan de zee, en trek zelf mee ten strijde. Waar hij ook is, we zullen hem vinden. We zullen hem overvallen zoals dauw op de aarde valt. Dan zal er van hem en zijn aanhangers niet één in leven blijven (2 S. 17: 11-12). Strijden tegen je zoon Chusai liet David het bericht brengen dat hij zo snel mogelijk de Jordaan over moest steken. Maar Absalom ging David met zijn manschappen achterna. Het kwam uiteindelijk tot een treffen tussen de manschappen van David en het volk Israël (dat voor Absalom streed). David had zijn legeraanvoerders gezegd: Treed niet te hard op tegen mijn jongen, tegen Absalom. Hoewel David redenen genoeg had om tegen zijn eigen zoon ten strijde te trekken, maakte hij zich ook zorgen om het welzijn van zijn zoon. Een dubbel gevoel: Absalom: vijand en zoon tegelijk. De dood van Absalom 2 S. 18: 9-10: Absalom, die op zijn muildier reed, kwam plotseling oog in oog te staan met een aantal soldaten van David. Toen het muildier onder een grote terebint doorging, raakte Absalom met zijn haren verstrikt in de takken. Zo bleef hij hangen tussen hemel en aarde, terwijl het muildier verder draafde. Een van de soldaten zag het en vertelde het aan Joab: ‘Ik heb Absalom gezien! Hij hangt in een boom!’ Vs 14-17: Hij (Joab) greep drie stokken en stootte daarmee Absalom, die nog levend in de boom hing, in de borst. Tien van Joabs soldaten, zijn wapendragers, gingen om Absalom heen staan en sloegen op hem in tot hij dood was. Toen blies Joab op de ramshoorn ten teken dat de achtervolging van het leger van Israël moest worden gestaakt. Ze maakten Absalom los, gooiden hem ter plekke in een diep gat en stapelden er een grote berg stenen overheen. Het leger van Israël vluchtte; ieder keerde terug naar zijn eigen woonplaats. David ontvangt slechte tijding Joab stuurde een Nubiër naar de koning om te vertellen wat hij heeft gezien. Toen de Nubiër bij de koning kwam zei hij (2 S. 18: 31,32): Ik breng u goed nieuws, mijn heer en koning. Vandaag heeft de Heer u recht gedaan en u bevrijd uit de handen van degenen die tegen u in opstand waren gekomen’. ‘En is alles goed met mijn jongen, met Absalom?’ vroeg de koning. De Nubiër antwoordde: ‘Moge het al uw vijanden en al uw tegenstanders vergaan zoals uw zoon’. 2 S. 19: 1: Toen voer er een siddering door de koning. Jammerend trok hij zich terug in het vertrek boven de poort: ‘Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Was ik maar dood in plaats van hem! Absalom, mijn zoon, mijn zoon!’ Rouw en trouw Het was nog niet zo lang geleden dat God over David had gezegd: Ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt. Ik zal een Vader voor hem zijn en hij voor Mij een zoon: als hij zondigt, zal Ik hem kastijden met stok- en zweepslagen, zoals een vader doet, maar hij zal nooit bij Mij uit de gunst raken zoals Saul, die Ik verstootte omwille van jou. Jou stel Ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen (2S.7: 13-16). En die kastijding heeft David geweten. Door de zonde met Batseba strafte God David door het kind dat uit haar geboren werd te doden. Zijn zoon Absalom doodde later David’s zoon Amnon. Later werd ook zijn zoon Absalom gedood. Zo verloor David tijdens zijn koningschap drie zonen. David gehoorzaamde God door zijn ambt van koning te aanvaarden, maar hij ontdekte dat het geen erebaantje was. Het was zwaar, een leven vol hoogte- en dieptepunten. Dat heeft ons ook wel iets te zeggen. Het volgen van Jezus kan een pad zijn vol geurige struiken maar ook vol distels. Dat doet ons soms uitroepen: waarom? Laten we dan niet vergeten dat wij ons mogen vasthouden aan zijn rijke beloften, in Jezus aan ons gegeven. En dan worden we herinnerd aan die bekende spreuk: God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst. David versus Jezus Davids zoon Absalom was tevens zijn vijand, die hem van de troon wilde stoten. David vluchtte voor Absalom naar de top van de Olijberg om daar te bidden (2 S. 15: 30-32). Het was niet David zelf, maar zijn leger dat de vijand overwon en Absalom doodde. Ook Jezus, de Nazaat van David, ging de Olijfberg op om te bidden (Lucas 22: 39-41). Het waren niet de discipelen of de andere volgelingen van Jezus, die Zijn vijand overwon. Dat deed Jezus Zelf, door aan het kruis te sterven voor onze zonden. En door de overwinning op de dood (Lucas 23, 24). Davids strijd tegen de vijand kostte hem het leven van zijn zoon. Jezus' strijd tegen de vijand, de duivel, redde het leven van vele zonen en dochters. |
|
Ga verder op de volgende pagina:
David (4) |
| | Home | Verantwoording | Sitemap | |